Home  > Dutch > Level 1 > Situation Practice > At A Hotel
At A Hotel

Ik ga naar de stad.

I’m going to the city centre.

Heeft u wat eten?

Do you have any food?

Ik wil een taxi alstublieft.

I want a taxi please.

Waar is een goed restaurant?

Where is a good restaurant?

Ik wil wat geld, waar is een bank?

I want some money, where is a bank?

Ik wil twee sleutels alstublieft.

I want two keys please.

Wanneer is ontbijt?

When is breakfast?

Dat is de bagage.

That is the luggage.

Waar is een supermarkt?

Where is a supermarket?

Mevrouw, heeft u een toilet hier?

Excuse me, do you have a toilet here?

Waar en wanneer is ontbijt?

Where and when is breakfast?

Heeft u een bus plattegrond alstublieft?

Do you have a bus map please?

Hoeveel is de kamer met ontbijt?

How much is the room with breakfast?

Heeft u een stad plattegrond?

Do you have a map of the city centre?

Dank u.

Thank you.





Ik wil een kamer alstublieft.

I want a room please.

Hallo, heeft u drie kamers?

Hi, do you have three rooms?

Heeft u één kamer voor drie?

Do you have one room for two?

Ja, ik ben Engels.

Yes, I am English.

Ik wil dat kamer alstublieft.

I want that room please. [Pointing]