Study../study/all.html
Reference../reference/all.html
Situations../situations/all.html
Exercises../exercises/all.html
Downloadshttp://www.languagesurvivalguide.com/dutch/d1/downloads/all.html
Podcasts../podcast/all.html
Home  > Dutch > Level 1 > Dictionary
http://www.languagesurvivalguide.comhttp://www.languagesurvivalguide.com/dutch/d1/d1/dutch.htmlhttp://www.languagesurvivalguide.com/dutch/d1/d1/dutch.htmlshapeimage_7_link_0shapeimage_7_link_1shapeimage_7_link_2
 

Dictionary: Dutch Level 1

English


a

and

and you

apple

bad

banana

bank

bedroom

beer

bill

bread

breakfast

bus

butter

bye

carrot

cheese

chicken

city centre

coffee

doctor

drink

excuse me

five

food

for

four

from

fruit

good

hamburger

here

hi

hospital

hotel

how much

how's it going

I am

I go

I have

I want

it is

juice

key

left

luggage

map

meneer

menu

mevrouw

money

no

not

one

orange

pain

pardon

pharmacy

pizza

please

police (station)

potato

restaurant

return

right

salad

single

some

sorry

soup

supermarket

table

taxi

tea

thank you

that

the

there

three

ticket

to

toilet

tomato

train

two

vegetables

water

what

when

where

with

yes

you are

you go

you have

you're welcome

Dutch


een

en

en met u

appel

slecht

banaan

bank

kamer

bier

rekening

brood

ontbijt

bus

boter

dag

wortel

kaas

kip

stad

koffie

dokter

drink

pardon

vijf

eten

voor

vier

van

fruit

goed

hamburger

hier

hallo

ziekenhuis

hotel

hoeveel

hoe gaat het

ik ben

ik ga

ik hep

ik wil

het is

jus

sleutel

links

bagage

plattegrond

sir (excuse me)

menu

madam (excuse me)

geld

nee

niet

één

sinaasappel

pijn

excuse me

apotheek

pizza

alstublieft

politie (bureau)

aardappel

restaurant

retourtje

rechts

salade

enkeltje

wat

sorry

soep

supermarkt

tafel

taxi

thee

dank u

dat

de

daar

drie

kaartje

naar

toilet

tomaat

trein

twee

groenten

water

wat

wanneer

waar

met

ja

u bent

u gaat

u heeft

alstublieft

Dutch


aardappel

alstublieft

alstublieft

apotheek

appel

bagage

banaan

bank

bier

boter

brood

bus

daar

dag

dank u

dat

de

dokter

drie

drink

een

één

en

en met u

enkeltje

eten

excuse me

fruit

geld

goed

groenten

hallo

hamburger

het is

hier

hoe gaat het

hoeveel

hotel

ik ben

ik ga

ik hep

ik wil

ja

jus

kaartje

kaas

kamer

kip

koffie

links

madam (excuse me)

menu

met

naar

nee

niet

ontbijt

pardon

pijn

pizza

plattegrond

politie (bureau)

rechts

rekening

restaurant

retourtje

salade

sinaasappel

sir (excuse me)

slecht

sleutel

soep

sorry

stad

supermarkt

tafel

taxi

thee

toilet

tomaat

trein

twee

u bent

u gaat

u heeft

van

vier

vijf

voor

waar

wanneer

wat

wat

water

wortel

ziekenhuis

English


potato

please

you're welcome

pharmacy

apple

luggage

banana

bank

beer

butter

bread

bus

there

bye

thank you

that

the

doctor

three

drink

a

one

and

and you

single

food

pardon

fruit

money

good

vegetables

hi

hamburger

it is

here

how's it going

how much

hotel

I am

I go

I have

I want

yes

juice

ticket

cheese

bedroom

chicken

coffee

left

mevrouw

menu

with

to

no

not

breakfast

excuse me

pain

pizza

map

police (station)

right

bill

restaurant

return

salad

orange

meneer

bad

key

soup

sorry

city centre

supermarket

table

taxi

tea

toilet

tomato

train

two

you are

you go

you have

from

four

five

for

where

when

some

what

water

carrot

hospital

Welcome to the Dictionary section

  1. Below is every single word that can be found in Level 1 Dutch.

  2. To look up a specific word, use your browser’s search tool:

    PC: Control+F (PC)         Mac: Command+F